Zeiltechniek : grootzeil zetten en calamiteiten daarbij

Gepubliceerd op 2 mei 2020 om 08:38

Bij het zeilen op zee moet je heel vaak de zeilen zetten of weer inhalen. 

 

Op veel schepen is het hijsen van het grootzeil een zware klus : iemand moet naar de mast om het grootval (het touw dat het zeil naar boven hijst) te bedienen. Met een handlier zwengel je net zolang tot het zeil helemaal tot de top van de mast gehesen is - hierbij strijd je tegen de zwaartekracht. Bij harde wind of hoge golven is dit een lastige en mogelijk zelfs gevaarlijke operatie.

 

Ons schip (een Bavaria 46 cruiser) is ingericht met een grootzeil dat ingerold kan worden. Het grootzeil bij dit systeem wordt slechts éénmaal gehesen, daarna wordt het op een trommel gedraaid, net zoals je een rolgordijn op een ronde houten stok draait. De trommel van het grootzeil zit in de mast - dit heeft als bijkomend voordeel dat je het hele zeil opbergt binnen in de mast waar het beschermd is tegen zon, wind en regen in de periode dat je het zeil niet gebruikt. Het grootste voordeel is dat je de hele hijsoperatie vanuit de cockpit kunt verrichten in de luwte van de sprayhood - wel zo prettig bij ruw weer.

 

Op deze foto’s zie je hoe het inhalen van het grootzeil in zijn werk gaat (hijsen gaat precies zo, maar dan juist andersom).

Sjouke Lute rolt het grootzeil op de trommel. Laurens Hendrik houdt de uithaler op spanning zodat het zeil vlak blijft (minder kans op beschadigingen). Marttje zet de grootschoot strak, zodat de giek niet gevaarlijk heen en weer zwaait. Maaike Grytsje staat op standbye, om bij te springen waar het nodig is. De roerganger is hier, zoals meestal, de fotograaf.

Het zeil klappert in de wind tijdens deze operatie.

Als we gaan zeilen zetten we vaak als eerste het grootzeil. Dat gaat als volgt. Je vaart met de motor op zee en zorgt ervoor dat je aan alle kanten een paar honderd meter ruimte hebt, met voldoende diep water. Vrij van obstakels of andere schepen.

 

Dan stuurt de roerganger het schip in de wind en neemt zoveel mogelijk gas terug - de wind staat nu op de kop van het schip, zodat de zeilen zo weinig mogelijk wind vangen. Hoe langzamer je vaart, des te minder klapperen de zeilen.

 

Dan moet de stand van de trommel in de mast goed staan: op uitdraaien (Laurens Hendrik is een goede volmatroos en doet dit klusje in de haven voordat we weggaan).  Staat het knopje naar rechts, dan kan het zeil uitgerold worden; staat het naar links, dan kun je inrollen.

Dan moeten er twee lijnen bediend worden om het grootzeil uit te rollen. De uithaler, het touw dat aan de achterhoek het grootzeil naar het uiteinde van de giek trekt doen we op een lier (zie foto: het grijze touw is de uithaler). 

De lier is nodig om de uithaler strak genoeg te kunnen spannen.  

Het blauw-witte touw is de lijn die de trommel laat draaien, net zoals het touw dat een rolgordijn bedient. Het blauw-witte touw is een rondgaande lijn - bij inhalen trek je aan de rechtse, bij uitrollen aan de linkse.

 

De juiste techniek is nu om de uithaler en het trommel-touw in hetzelfde tempo te laten werken. Als je de trommel te snel afwikkelt, terwijl de uithaler nog niet op spanning staat, zal het grootzeil losser op de trommel komen en komt dan klem te zitten tussen de mast en de trommel. Dit hebben we een keer gehad bij de noordkust van Spanje; dan ben je een half uur en heel wat zweetdruppels verder voor je alles weer los hebt. Als je de trommel te langzaam afwikkelt, heeft de persoon met de uithaler een extra zware klus. Het gaat precies goed als je aan het zeil ziet dat het niet zo strak als een plank staat, maar ongeveer twintig centimeter speling heeft. 

 

Als het zeil voor ongeveer 70% is uitgerold, zal door de wind het grootzeil met giek en al flink heen en weer gaan. Bij ons rolt het laatste deel van het zeil dan als vanzelf uit. Dat is prima als je het hele zeil wil zetten, maar is vervelend als de wind zo sterk is dat je gereefd wil varen (met een minder groot zeil). 

 

Bij harde wind kiezen we er daarom vaak voor om eerst het zeil maar voor de helft van de giek te zetten (dan heb je een maar een kwart van het grootzeil). Dan zeilen we een stukje en kijken hoe het schip met deze hoeveelheid zeil vaart maakt en op de golven ligt. Het is namelijk makkelijker om zeil te meerderen als het met de wind toch niet zo sterk is als je dacht, dan direct weer te moeten reven als het tegenzit.

 

Als het grootzeil staat liggen we nog steeds in de wind. Dan stuur je de boot, met motorkracht,  naar bakboord of stuurboord tot de zeilen de goede wind vangen. Als de boot dan goed zeilt gaat de motor uit.

 

Dan nog het voorzeil zetten - bij ons een grote genua, die nog een stuk groter is dan het grootzeil. Ook dit zeil zit heeft een rol-installatie waarmee je de hele genua kunt inrollen. Bij ons moeten we het blauwe furlex lijn - die de trommel bedient - vieren, en tegelijkertijd aan de schoten van de genua trekken om een grotere genua te verkrijgen. 

 

Het mooie van het rol systeem bij genua en grootzeil is dat je de zeilgrootte traploos kunt regelen. Ook kun je door de genua of grootzeil iets verder in of uit te rollen het schip perfect uit-trimmen: dan vaart het schip uit zichzelf een rechte koers, zodat je het roer los zou kunnen laten. Dan zeilt het schip zeer plezierig.

 

We hebben ook wel eens een truuk moeten uithalen. Op de dag dat we vanuit de sluis bij Hansweert de Westerschelde opvoeren, zie de blog Westerschelde westwaarts op link:  Blog > Westerschelde westwaarts

Hier was er eigenlijk te weinig ruimte om het grootzeil te zetten. Er voeren veel schepen om ons heen, die allemaal uit dezelfde sluis kwamen en een groot containerschip voer naar ons toe. 

Bovendien voeren we pal voor de wind. De vaargeul in de Westerschelde (tussen de groene en rode boeien) was daar te smal om een bocht van 180 graden te maken en met de kop in de wind te komen. Wat nu?

Gelukkig was de wind maar 7 knopen. Toen zijn we met motor op volle kracht vooruit gaan varen, ook ongeveer 7 knopen, zodat de schijnbare wind aan bord vrijwel windstil was. Onder die omstandigheden konden we het grootzeil met de wind van achteren zetten, waarbij de grootschoot stevig aangehaald was.

 

Onder zeilers is er nogal eens discussie of je voor een rolsysteem (zie foto) of een gewoon hijs-systeem zou moeten kiezen. Het gaat dan over de voor- of nadelen van de system wat betreft zeilprestaties, het gemak of gevaar van reven, en kans op calamiteiten die kunnen escaleren.

 

Ik ben erg blij dat we met onze bemanning een trommel-systeem hebben. De veiligheid van grootzeil reven vanuit de cockpit is heel wat waard, en dit voordeel krijg je juist op het moment dat de omstandigheden het zwaarst zijn: plotseling moeten reven bij harde wind, zoals ons bij Burriana in een overtrekkende regenbui met windkracht 8 overkwam:

link naar blog: Blog > koufront bij Burriana

 

Daarvoor moet je wel één ding goed doen: direct nadat het zeil is uitgerold, moet er iemand naar de mast om de trommel weer op de stand “inrollen” te zetten - een klusje van niks bij mooi weer. Maar als je hiermee wacht tot de wind flink is toegenomen en de golven over het dek slaan heeft dit eenvoudige klusje heel wat meer voeten in de aarde.

 

Bij een gewoon hijs-systeem zal het zeil een beter profiel houden dan door het voortdurende oprollen. Ook is de mast minder zwaar (geen twintig meter lange trommel), en sterker (want er is geen twintig meter lange sleuf die de mast verzwakt). De zeilprestaties zullen bij het gewone systeem beter zijn (wat hoger aan de wind, en wat meer snelheid op de meeste koersen, minder scheef liggen), wat voor wedstrijdzeilers natuurlijk een must is, maar voor cruisers is het niet echt een nadeel.

 

Dan blijven de calamiteiten over: kan er bij hijsen of strijken iets echt kapot gaan of op een gevaarlijke manier vast komen te zitten. 

 

Als bij een trommel systeem - tijdens het zeil inrollen - ergens halverwege klem komt te zitten ben je de Sjaak. Dan zit alles vast, kan het zeil niet meer in of uit en slaat het grootzeil woest heen en weer terwijl je met de moed der wanhoop probeert het probleem op te lossen. Dan kun je eigenlijk maar één ding doen: wachten tot de wind afzwakt om het in alle gemoedsrust, en zonder spanning op het zeil, op te lossen. Deze calamiteit is te voorkomen door het systeem goed gedoseerd met twee man te bedienen - de ene aan de uithaler, de andere een de trommel-lijn. Doe dat altijd beheerst en zorgvuldig - dan zal de calamiteit niet optreden.

 

Bij het normale hijs-systeem zijn er ander calamiteiten: bij zeer harde wind tijdens hijsen of strijken komt er veel kracht op het voorlijk van het zeil wat met leuvers aan de mast verbonden is, vooral als het zeil heen en weer slaat door de wind. Deze leuvers kunnen dan uit het grootzeil scheuren - een forse beschadiging van het grootzeil. Ik heb zeilers gesproken die dit overkomen is - dan moet je eerst zelf een tijdrovende reparatie uitvoeren (het kost je een dag) of een zeilmaker vinden die je helpen kan. Als je geluk hebt, scheuren de leuvers aan de lage kant van het zeil - dan kun je altijd nog gereefd verder zeilen; heb je pech en beschadigt het zeil aan de hoge kant, dan zit er niets anders op dan een reserve zeil te hijsen (en moet je wel een reserve zeil aan boord hebben).

 

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.